Geplaatst op Geef een reactie

Het verhaal van de jas die niet vies mocht worden

nieuwe jas

Het was een frisse dag toen Harde Beer een doos op tafel zette. “Kijk eens wat ik voor je heb,” zei hij trots. Kleine Beer keek nieuwsgierig toe terwijl het deksel open ging. Daar lag een prachtige, warme jas. Donkerblauw, met zachte wol vanbinnen en grote knopen.

“Wow,” fluisterde Kleine Beer. “Is die voor mij?”

 

nieuwe jas

Harde Beer knikte.

“Speciaal voor jou.

Maar,” voegde hij eraan toe,

“je moet er wel goed voor zorgen.

Geen modder, geen regen, en zeker geen zand.”

 

Kleine Beer trok de jas aan. Hij voelde zich groot en belangrijk. Harde Beer glimlachte tevreden. “Je ziet eruit als een echte heer.”

Maar toen hij buiten wilde gaan spelen, kwam Harde Beer erachter. “Niet met die jas naar de speeltuin,” zei hij streng. “Daar kan hij vuil worden.”

nieuwe jas 2

 

“Maar ik wil met de anderen klimmen en graven,” probeerde Kleine Beer nog.

“Dan doe je de jas uit,” zei Harde Beer. “Of je blijft binnen. De jas moet netjes blijven.”

Kleine Beer zuchtte. Hij wilde geen ruzie. Dus hing hij de jas netjes over een stoel, trok zijn oude trui aan en ging zonder hem naar buiten.

Bij de zandbak zaten de andere beren te bouwen. Kleine Beer keek toe hoe ze tunnels maakten, bergen en bruggen. Hij schoof voorzichtig aan en begon ook mee te bouwen. Al snel vergat hij de jas. Zijn handen werden vies, zijn knieën nat, maar zijn ogen glinsterden.

Toen hij weer thuiskwam bij Harde Beer, keek die naar zijn vuile broek en modderige pootjes. “Je had die jas toch niet aan, hè?”

“Nee,” zei Kleine Beer. “Ik wilde spelen.”

Harde Beer knikte traag. “Die jas moet lang meegaan. Je moet begrijpen dat mooie dingen netjes moeten blijven.”

Kleine Beer zweeg. Maar vanbinnen voelde hij zich een beetje kleiner dan daarnet in de zandbak.

Later die week ging hij naar Zachte Beer. Daar trok hij zijn vieze broek uit en kreeg een zachte pyjama.

“Weet je wat Harde Beer zei?” begon hij. “Over mijn jas. Dat die niet vies mag worden.”

Zachte Beer pakte de jas uit zijn tas. “Hij is mooi,” zei ze. “Maar weet je wat ik mooier vond? Dat je vuile knieën had en straalde van plezier.”

Kleine Beer keek haar aan.

“Sommige jassen zijn voor bijzondere momenten. Maar jij, Kleine Beer, jij bent elke dag bijzonder — ook als je modder op je neus hebt.”

Toen pakten ze samen een borstel en wat zeep, en maakten de jas weer schoon. En daarna, toen hij weer droog was, speelde Kleine Beer er gewoon weer in. Niet omdat hij rebels was, maar omdat een jas er is om je warm te houden, niet om je binnen te houden.

Reflectievragen

  • Waarom mocht Kleine Beer de nieuwe jas niet overal dragen?

  • Hoe voelde hij zich daardoor?

  • Wat leerde hij van Zachte Beer over vies worden?

  • Wanneer voel jij je vrij om leuk te spelen?

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *