Het verhaal van de spiegeltent
Kromme lachspiegels en woorden die je vertekenen — en weten dat jíj niet krom bent.

Harde Beer neemt Kleine Beer mee naar de kermis. “Vandaag gaan we naar de spiegeltent. Daar zie je de waarheid eens op een andere manier.” De kermis is mooi: lichtjes, muziek, suikerspin.
Binnen staan overal spiegels. In de eerste lijken zijn pootjes heel dun en zijn hoofd klein. “Zie je wel?” lacht Harde Beer. “Je ziet er raar uit als je niet stevig genoeg staat.”
Terwijl ze verder lopen, vertelt Harde Beer een ‘verhaaltje’. “Er was eens een kleine beer die dacht dat hij heel belangrijk was. Die maakte van alles een probleem. Die kon niet tegen een grapje.” Kleine Beer kijkt naar de vertekende beer in de spiegel. Ben ik zo?
Bij een kromme spiegel zucht Harde Beer: “Sommige beren vertellen alles scheef. Ze zeggen ‘jij was boos’, maar eigenlijk waren ze het zelf.” Kleine Beer denkt aan gisteren, toen hij huilde nadat zijn beker omviel, en Harde Beer zei: “Zie je wel, jij maakt altijd drama.”
Dan komen ze bij een spiegel waarin Harde Beer prachtig lijkt — groot, recht, blinkend. “Sommige beren weten gewoon hoe ze moeten staan,” glimlacht hij naar zichzelf. Naast hem lijkt Kleine Beer dof en gekrompen.
Overal versies van zichzelf: een bange beer, een lastige beer, een beer zonder oren, een beer met een veel te grote mond. Kleine Beer blijft heel even staan, tussen al die kromme spiegels in.
Buiten, in het gewone licht, kijkt Kleine Beer nog eens naar zijn pootjes. Gewoon zijn pootjes. De spiegels waren krom — niet hij. Over woorden en spiegels die je vertekenen, en weten dat jíj niet krom bent.
